Grote karekieten broedvogels langs oevers van meren

Grote karekieten kennen we vooral vanwege de zang. Ze zijn genoemd naar hun geluid. Een onomatopee heet dat. Het “karre-karre-kiet-kiet” klinkt opvallend hard en de hele dag door. Op goede plekken zingen meerdere mannetjes tegen elkaar in. Het is veel harder en het woord “karekiet” is veel duidelijker herkenbaar dan de in de zang van de nauw verwante kleine karekiet. Ook zijn grote karekieten bijna zo groot als een lijster. In sommige dialecten heten ze ook rietlijsters.

De grote karekiet heeft geen opvallend verentooi. Bruin, met een lichte onderzijde. Ze hebben zeer krachtige poten waarmee ze door het riet kunnen klimmen.

Grote karekieten nestelen vrijwel uitsluitend in brede rietkragen die in diep water groeien, zogenaamd waterriet. Het liefst in riet van minstens 3 tot 4 m hoog dat in 50 tot 100 cm diep water staat. Het talrijkst zijn ze aan de randen van grote meren en rivierstrangen. Ze vlechten hun nest kunstig boven het water aan enkele rietstengels. Een mannetje heeft een territorium waar meerdere wijfjes een nest in kunnen bouwen. Ze eten insecten die ze in het water of in de vegetatie vangen. Soms eten ze ook kikkertjes en visjes. Ze zijn maar kort in Nederland. Ze arriveren vanaf eind april en de eerste gaan al weer eind juli terug naar Afrika waar ze ten zuiden van de Sahara overwinteren.

In het IJsselmeergebied waren ze talrijk op plekken met helder water, waterplanten en brede waterrietkragen. Dat was vooral in de Randmeren, van Gooimeer tot Ketelmeer, ruimschoots aanwezig, maar ook langs de Friese kust kwamen ze voor. Tegenwoordig is het een van de zeldzaamste zangvogels van Nederland met minder dan 100 paar waarvan de helft in de noordelijke Randmeren leeft. Daarmee is het een van de sterkt afgenomen vogelsoorten van Nederland.

De afname is sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw in gang gezet door het ongunstige waterbeheer. Het vastleggen van waterpeilen in al onze meren hinderde de groei en uitbreiding van waterriet. Maar ook in meren met een stabiel of omgekeerd peil kan goed waterriet gelukkig langdurig gezond blijven en uitbreiden. Maar de toegenomen populaties herbivore watervogels, met name grauwe ganzen, zorgen voor het verdwijnen van deze rietbestanden. Dat zie je ook overal in het IJsselmeergebied. Vrijwel nergens groeit riet in het water. Vaak groeit het op de oever of in het water in pollen. Dat wijst op overbegrazing. De karekieten vinden vrijwel nergens geschikte broedplekken meer.

Omdat de oorzaak zo duidelijk was, is Vogelbescherming Nederland in 2015 gestart met een beschermingsproject voor de grote karekiet in Nederland. Het hoofddoel was het leefgebied in de kerngebieden (Noordelijke Randmeren en Vechtplassen) te herstellen. Een simpele maatregel is het beschermen van rietkragen tegen ganzenvraat. In de Randmeren is sinds 2016 op ongeveer 60 locaties in totaal 4400 m raster geplaatst. Daarvan is nu resultaat van te zien. Het riet groeit weer het water in met 1 tot 2 m per seizoen en de grote karekietenpopulatie is voor het eerst sinds decennia niet meer verder in aantal afgenomen en in 2020 zelfs iets toegenomen. De volgende stap is uitbreiding naar andere voormalige broedgebieden zoals het Gooimeer, IJmeer en de Friese kust. Dan kunnen we allemaal weer van die prachtige zang genieten.

Jan van der Winden

terug naar het nieuwsoverzicht