De Bot in het IJsselmeer?

De bot is een algemeen in Nederlandse brakke en kustwateren voorkomende Platvissoort. Hiernaast komt de bot wijdverspreid voor in de kust- en brakke wateren van de Oostelijke Atlantische Oceaan, vanaf Noorwegen, de Witte Zee en de Barentszzee in het noorden, tot Marokko in het zuiden. Hiernaast komt  bot ook voor in de Oostzee, Middellandse zee en de Zwarte zee. Minder talrijk, maar zeker niet incidenteel, kan de bot tot ver in het zoete water worden aangetroffen. Vooral in de Zuiderzee-periode, maar ook later in het IJsselmeer, was de bot een algemeen voorkomende vissoort. Vooral jonge bot kon tot ver stroomopwaarts de rivieren opzwemmen.

Voortplanting
Botten planten zich voort in verschillende delen van de Noordzee in relatief diep zeewater. De paai vindt plaats in het open water, waarbij de eitjes worden afgezet in een zoutrijke waterlaag en vrij in de waterkolom blijven zweven. De hoogste concentraties van eieren zijn waargenomen ten westen en noordwesten van de Nederlandse kust, in het oostelijke deel van Het Kanaal (Engeland) en ten noordwesten van Helgoland (Duitsland).

De larven van de bot komen na 5 tot 7 dagen uit het ei, afhankelijk van de watertemperatuur, en hebben een lengte van circa 3 mm. De embryo’s hebben een dooierzak, die ze ongeveer tien dagen van voedsel voorziet. Als de dooierzak verteerd is, voeden de larven zich met plankton.

Opgroei
Gedurende de ontwikkeling migreren de larven richting kustwateren en ondergaan ze een metamorfose. Het centrum van de verspreiding van botlarven beweegt zich eind maart en in april in oostwaartse richting langs de Friese (Wadden) kust, terwijl de larven egaal verspreid voorkomen in de Duitse Bocht. Vanaf een lengte van 7 tot 10 mm wordt het lichaam steeds meer platgedrukt en treed er een verschuiving van de ogen naar één zijde op. Tijdens de voltooiing van de metamorfose vindt vestiging plaats en verspreiden de botlarven zich over de getijdenplaten. De larven gaan nu over op een bodem gebonden leefwijze die karakteristiek is voor hun verdere leven. Gedurende deze periode is bot gevoelig voor predatie door bijv. Noordzeegarnalen en kan de aanwezigheid van deze garnaal  de verspreiding van jonge bot (tot 3 cm) op lokaal niveau beïnvloeden.

Enige tijd na de vestiging verlaten de juvenielen de intergetijdenzone tijdens eb en beginnen getijdenmigraties te ondernemen, zodat de visjes de platen alleen nog tijdens vloed bevolken. De ruimtelijke verspreiding van de 1-zomerige botjes is positief gecorreleerd met het fijne sedimentgehalte van het substraat.  In tegenstelling tot de passieve verspreiding van de vroege larvale stadia, migreren  oudere botjes actief in de vorm van selectief getijdentransport. Uit een onderzoek in de Eems-Dollard, bleek dat de migratie richting brakke en zoete wateren van larven een periode van ca. 6 weken besloeg, en begon tussen eind maart en begin april bij watertemperaturen tussen 6.9 en 14.6 °C. De kleine, nog tamelijk doorzichtige botjes werden vroeger wel ‘lovertjes’ genoemd.

Jonge bot kan tot de geslachtsrijpheid (2 tot 4 jaar) op zoete en brakke wateren verblijven, maar eenmaal teruggekeerd naar zee voor de paai – ergens tussen februari en mei – verblijft de bot de rest van hun leven in zout water. De bot heeft een hoge tolerantie voor temperatuur (tot 28 ˚C) en zoutgehaltes, van geheel zoet tot brak en zout. Kleine bot kan redelijk lang zwemmen met een snelheid van 0,2 -0,25 cm/s, grotere bot kan kortdurend een maximumsnelheid van 2-3 m/s bereiken.

Bot in het IJsselmeergebied
Er zijn aanwijzingen dat de bot vroeger vooral voorkwam in de zgn. ‘kom’ van de Zuiderzee/IJsselmeer. Het kleiige, vruchtbare substraat (later de inpolderingen) vormde blijkbaar een belangrijk voedselgebied (bodemvoedsel zoals wormen). In de historische visserijverhalen van het IJsselmeer neemt de bot dan ook geen onbelangrijke plaats in. Er werd met verschillende vistuigen actief op bot gevist, bijv. met de botsleepnetten, staande botnetten, botschutwant en botlijnen. De grafiek geeft een overzicht van de aanlandingen voor de periode 1932-2009. Deze aanlandingen zijn niet representatief voor de botstand zelf. Afleesbaar is dat rond de afsluiting van 1932 er jaarlijks rond de 1000 ton bot werd gevangen, gevolgd door een snelle afname.  Direct na WOII werd er tussen de 300 en 500 ton gevangen, voor een deel op het conto van de visserijvloot van de Noordzee: door de vele zeemijnen was visserij op de Noordzee niet mogelijk en op het IJsselmeer wel. De cijfers maken duidelijk dat de bot in het zoete IJsselmeer zeker geen zeldzaamheid was. De bot is dan ook een belangrijke doelsoort bij het verbeteren van de migratiemogelijkheden van vissen door de Afsluitdijk.  De bot vormt hierbij voor de Kaderrichtlijn Water onderdeel van de zgn. “vissenmaatlatten” voor het IJsselmeer. De hoeveelheid bot die tijdens bemonsteringen wordt aangetroffen, wordt hierbij gezien als een indicator van de migratiemogelijkheden voor trekvissen. Van maatregelen als het ‘visvriendelijk spuien’ en de aanleg van de vismigratierivier, mag worden verwacht dat deze de botstand in het IJsselmeer positief zullen stimuleren.

Spreekwoorden
Tot slot een aantal spreekwoorden, waar de bot in voorkomt:
Ons taalgebied kent verschillende spreekwoorden met ‘bot’, zoals ‘bot vangen’. Minder bekend zijn:
“Hij kan de bot gallen”( hij kan een lastig karwei aan)
“De bot is vergald” ( de zaak is verknoeid)
Het schoonmaken van bot was blijkbaar een secuur werkje. Als daarbij de galklier werd geraakt, werd de vis blijkbaar ongeschikt voor consumptie

terug naar het nieuwsoverzicht